Vorige week zag ik de geruchtmakende documentaire van BNN over de moord op Pim Fortuyn. Wat mij, naast de vraag of het hele zaakje stinkt, vooral bezighield was het media-optreden van oud-minister van Binnenlandse Zaken Klaas de Vries, vanaf 24.55 min.
In het bewuste fragment maakt De Vries, ongetwijfeld nerveus en onder grote druk staand, alle fouten die een leider kan maken in tijden van crisis. Hij laat daardoor naar mijn mening een zeer onbetrouwbare en onzekere indruk achter juist op het moment dat hij absolute betrouwbaarheid zou moeten uitstralen. Waar zit ‘m dat nu in?
Ten eerste hakkelt hij behoorlijk en lijkt veelvuldig te moeten nadenken (“uh, uh”). Geen sterke indruk en weinig overtuigd van zijn eigen versie, zo lijkt het.
Daarnaast gebruikt hij de vage, ambtelijke taal met zijn moeizame formuleringen die we helaas van politici gewend zijn. Die vaagheid is vaak nuttig voor het sluiten van compromissen zonder gezichtsverlies. In crisiscommunicatie echter, als de fan de shit al lang over de hele kamer heeft verspreid, eist het publiek juist helderheid, transparantie en een billen bloot mentaliteit. Dan werkt een ‘taalgordijn’ als een rode lap op een stier.
Tenslotte zijn ogen: hij kijkt erg vaak naar links in plaats van naar de interviewer. Daardoor lijkt hij opgejaagd en is het alsof hij zich steeds iets moet herinneren. Maar wat dan? De werkelijke situatie rond Fortuyn destijds? Daar zal hij toch ook al eerder zijn hersenen over hebben gepijnigd en hij zal elke archiefkast hebben laten omkeren. Of zoekt hij naar de ‘officiële’ versie van Binnenlandse Zaken die hij met zijn communicatiestaf heeft afgestemd en die hij van buiten heeft geleerd?
Alleen die indruk is al genoeg om mensen aan het twijfelen te brengen. En dat is nu juist het probleem. Klaas de Vries kan nog zo integer zijn geweest in de kwestie Fortuyn, een dergelijk media-optreden biedt teveel ruimte voor twijfel op een cruciaal, want explosief moment.
Leiderschap tonen moet je dus absoluut ook letterlijk nemen: het oog wil ook wat.